AGRONIEUWSBRIEF OKTOBER 2016

Grond gekwalificeerd als natuurterrein

Een melkveehouder gaf in 2011 in totaal ruim 78 hec­tare grond op als landbouwgrond in zijn Gecombi­neerde opgave. Naar aanleiding van een NVWA controle stelde Dienst Regelingen (voorganger RVO) echter de oppervlakte landbouwgrond op slechts 48 hectare vast. Zij rekende 28 hectare grasland, die de melkveehouder op basis van een erfpachtovereen­komst met Staatsbosbeheer in gebruik had, niet mee voor de gebruiksnormen, omdat de betreffende per­celen als hoofdfunctie natuur hadden. Dit had tot gevolg dat de gebruiksnormen werden overschreden, waarvoor Dienst Regelingen een mestboete van ruim € 48.000 oplegde.

In hoger beroep voerde de melkveehouder aan dat er daadwerkelijk enige vorm van landbouw op de betwis­te percelen werd uitgeoefend door er gras op te telen als veevoer. Hij had de percelen het gehele jaar in gebruik en er mocht mest op worden uitgereden. Dat er grenzen waren gesteld aan de beweiding (en de bemesting), betekende, gelet op alle omstandigheden, nog niet dat er sprake was van de hoofdfunctie natuur. De gemaakte afspraken lagen in de lijn van Agrarisch natuurbeheer en de overeengekomen beheerseisen sloten aan bij het beheertype weidevogelbeheer. Die percelen tellen wel mee als landbouwgrond en vallen ook onder de derogatieregeling.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven was het niet eens met de melkveehouder. Op de percelen was slechts gedurende een beperkte periode (ongeveer twee maanden) beweiding toegestaan. Voor sommige percelen was slechts een veebezetting van maximaal 2,2 GVE per hectare toegestaan. De toegestane hoe­veelheid stalmest (10 ton/ha) of drijfmest (12 ton/ha) was beperkt vergeleken met de toegestane hoeveel­heid bij normaal agrarisch gebruik. Voor de meeste percelen gold verder een rustperiode van drie maan­den (15 maart – 15 juni), waarin niet gemaaid, beweid of bemest mocht worden. Daar kwam bij dat volgens de erfpachtovereenkomst alle percelen waren inge­richt en bestemd om te functioneren als reservaats­gebied. Dit alles leverde een dusdanige inperking van de landbouwactiviteit op, dat volgens het college ge­oordeeld moest worden dat de betreffende percelen in hoofdzaak voor natuur werden gebruikt en derhalve moesten worden beschouwd als natuurterrein.

De vergelijking met gronden waarop de subsidie­regeling voor agrarisch natuurbeheer van toepassing zijn, en die wel tot de landbouwgrond worden gere­kend, ging volgens het college niet op. Dit betreft landbouwgronden waarvoor de landbouwer zelf kiest voor een beperkt agrarisch beheersregime. De landbouwer heeft in dat geval ook de keuze om de agrarische activiteiten niet te beperken. Die keuze had de melkveehouder in deze zaak niet.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Agrariërs Datum: 5 oktober 2016
Urenmutatie invoerenUrenmutatie invoeren Personeel aanmeldenPersoneel aanmelden Personeel aanmeldenAdministratie online

Van Opijnen & Voskuil

Van Opijnen & Voskuil Fiscaal en Financieel advies
AEssenerweg 65a
  3774CB Kootwijkerbroek
T0342 44 3103
F0342 44 4692
Einfo@opijnenvoskuil.nl

Partners

Kvk Register Belasting adviseurs Belastingdienst
Wilhelm marketing